TWEE GENERATIES

‘VROEGER KNUTSELDE IK AAN BROMMERTJES’

TEKST KEES BALS BEELD WORCFLOW

‘MEER DAN KIJKEN NAAR TANDEN EN KIEZEN’

In de mond kijken, gaatje vaststellen, kies vullen. Nee, nee, leggen Yvonne Schalk en Hans Bleijswijk uit, het werk van een tandarts gaat veel verder. Aandacht voor de patiënt die bang is, tips geven om gaatjes te voorkomen en zelfs een dansje doen met de jongste patiënt. ‘Ik leer nieuwe technieken van mijn jongere collega’s.’

Yvonne Schalk (54) zegt wat veel tandartsen zeggen: dat het contact met de patiënt zo belangrijk voor haar is. Als patiënt lig je de hele tijd met je mond open in de tandartsstoel. Je kunt bijna niets zeggen. Hoezo een band opbouwen tussen tandarts en patiënt? Schalk moet erom glimlachen. En legt uit: ‘Als tandarts zit je in de intieme zone van de patiënt. Je werkt in zijn of haar lichaam, terwijl je op zo’n dertig centimeter afstand bent. Je doet het echt met zijn drieën: de patiënt, de tandartsassistente en ik.’ Bovendien: ‘Als ik zie dat de patiënt bang is, dan leg ik even een hand op zijn of haar schouder, om te laten merken dat ik niet alleen met die mond bezig ben.’


Ze deelt tandartsen grofweg in twee groepen: je hebt er die in de eerste plaats mensgericht zijn en zij die meer geïnteresseerd zijn in de techniek die bij het vak hoort. Zij zelf is er een van het eerste soort. Begrijp goed, zegt ze, de techniek beheerst ze volkomen. Ze zegt het met de nodige reserve, maar in het algemeen, generaliserend gesproken, zijn mannen meer technisch gericht.


Zo begon het in elk geval voor Hans Bleijswijk (26). Toen hij een jaar of 14, 15 was, vertelde hij bij thuiskomst van een controlebezoek dat hij tandarts wilde worden. ‘Heel gek eigenlijk. Er was geen duidelijke reden voor, geen aanleiding, maar ineens was het zo, moest ik dat worden.’ Hij kon een dagje meelopen bij zijn tandarts en was helemaal gefascineerd door ‘al die snufjes en dingetjes’. ‘Thuis was ik altijd aan het klooien, knutselen aan brommertjes en zo. Dat technische van het tandartsvak sprak me in eerste instantie het meeste aan.’


Kaartje

Voor Schalk begon het met ‘iets met mensen doen’. Tijdens haar middelbare school had ze drie beroepen op haar lijstje staan: fysiotherapeut, mondhygiëniste en tandarts. Voor de fysiotherapieopleiding bestond een loting, bij die voor mondhygiëniste zeiden ze dat zij met haar vwo beter tandheelkunde kon gaan studeren. En dat werd het dan ook. ‘Daar heb ik nooit spijt van gehad.’


Na haar studie in Utrecht werkte ze eerst zeven jaar op een praktijk in die stad, daarna zeven jaar in een maatschap in Woerden en toen vond ze het tijd voor een eigen praktijk elders in het land. Ze kon er een overnemen in Zuidwolde (Dr.). Een dorp leek haar wel wat. Haar man zat net zonder werk, haar kinderen net in de middelbareschoolleeftijd, als er een moment was voor zo’n stap, dan nu. ‘Als tandarts zie je de mensen vaker dan bijvoorbeeld een huisarts. In een dorp kom je de patiënten regelmatig tegen, dat versterkt de band. Als er iemand vijftig jaar getrouwd is, sturen we een kaartje. Als iemand zich afmeldt vanwege ziekte, sturen we een kaartje. Als iemand een moeilijke behandeling heeft gehad, dan bellen we nog even om te horen hoe het gaat.’


Schalk heeft zich gespecialiseerd in de behandeling van angstige kinderen, of zoals ze liever zegt ‘kinderen waarvan een gewone tandarts niet goed weet hoe ermee om te gaan’. ‘Voor hen maken we er een beetje een feestje van. We zetten muziek op van bijvoorbeeld Kinderen voor Kinderen. De assistente haalt ze op met een high five. Dat kost wat extra tijd, maar het geeft veel voldoening. Laatst hadden we een meisje dat we hadden beloofd dat ze ons na de behandeling een dansje mocht leren. Ze had een glitterbal meegenomen, we hebben de lichten gedimd en toen hebben we Oma’s aan de top van K3 gedaan. En ja, ik was oma.’

Stokeren

Bleijswijk is nu zo’n anderhalf jaar afgestudeerd en werkt als zzp’er in praktijken in Hoogeveen, Roden en Delfzijl. ‘Tijdens de studie kwam ik er vrij snel achter dat tandheelkunde veel breder is dan – zoals veel mensen het zien – kijken naar tanden en kiezen en dan als er een gat in zit, dat vullen. Met de psychologische kant moet je ook iets. Mensen gaan niet voor hun lol naar de tandarts. Sommige mensen zijn panisch, dan moet je kijken waardoor dat komt. En de samenhang tussen de mond en de rest van het lichaam wordt steeds duidelijker. Ook daar kwam ik tijdens de opleiding achter. Dat maakt het voor mij nog interessanter. Je vraagt naar de gezondheid van de patiënt en naar medicijnengebruik. Sommige patiënten steigeren dan. “Wat gaat jou dat aan?” Dan moet ik uitleggen: “Als er een kies uit moet en u gebruikt bloedverdunners, dan bestaat het risico dat u leegloopt.”’


Het leukst vindt hij de puzzels. ‘Als bijvoorbeeld iemand tien jaar niet is geweest en door verwaarlozing een gebit heeft waar van alles mee aan de hand is, dan kan ik per tand en kies kijken wat eraan moet gebeuren óf kijken naar de mond als geheel. Dan vraag ik: “Waar wil je over tien jaar staan? Hoe pakken we dat dan aan?” Dat antwoord kan voor iemand van 19 heel anders zijn, dan voor iemand van 80. Bij iemand van 19 zal ik waarschijnlijk niet alleen saneren. Die wil er hopelijk op zijn 29ste niet opnieuw zo voor staan. Die wil je motiveren om beter voor zijn mond te zorgen. Dan kijk je ook naar preventie.’


‘Preventie werkt echt’, zegt Schalk. ‘In mijn praktijk leggen we daar erg de nadruk op. Dat is niet commercieel. Als mensen geen gaatjes hebben, hebben wij geen werk. Maar we zien het effect: minder vullingen, minder wortelkanaalbehandelingen, minder tandsteen. Vroeger zei ik heel streng: “Je moet stokeren!” Nu leg ik uit: “Voor mij hoef je het niet te doen, een goed gebit doe je voor jezelf.”’


Emotiestand

Schalk: ‘Dit is een mooie leeftijd om tandheelkunde te bedrijven. Ik word niet zo snel meer ergens warm of koud van, ik heb alles al gezien, kan relaxt mijn werk doen. Maar ik leer nog elke dag bij. Ik werk met een team van twintig mensen. Die aansturen moet ik mezelf aanleren. En ik heb de neiging in de emotiestand te schieten. Als een patiënt te laat komt, moet ik uitkijken dat ik daar niet direct een opmerking over maak. Ik kan beter vragen en luisteren waarom ze te laat zijn. Ik heb een jonge, net afgestudeerde collega die af en toe meekijkt. Van bepaalde behandelingen heeft de jongere generatie meer kennis dan ik. Ik had tot zeven jaar geleden nog nooit een wortelkanaalbehandeling door de microscoop gedaan. Dat heb ik geleerd van mijn jongere collega’s.’


Bleijswijk: ‘Bij mij gaat het allemaal nog niet vanzelf. Er valt nog veel te leren. Als er iets niet gaat zoals ik het bedacht had, dan kan dat frustrerend zijn, dat neem ik soms mee naar huis. Heb ik het verkeerd ingeschat vooraf? Waar ging het niet helemaal goed? Gelukkig is er niet snel een man overboord, is er altijd wel weer een oplossing. Ik bespreek het met collega’s, soms met oud-studiegenoten.


Maar ook assistenten zien een hoop. Die zeggen het soms ongevraagd. Of ik vraag hen: “Wat denk jij? Wat zie jij?” Vooral op communicatief vlak wil ik bijleren. Ik vertel de patiënt de verschillende behandelopties, met voor- en nadelen. De kies eruit trekken of een wortelkanaalbehandeling, bijvoorbeeld. Maar veel patiënten willen ook een advies horen. Dan zit ik nog te veel in mijn hoofd te malen, omdat ik nog weinig ervaring heb. Ik moet nog leren om niet alleen te vertrouwen op de theorie, maar ook op mijn intuïtie en ervaring.’

'JE WERKT IN DE INTIEME ZONE’

Deel deze pagina